Ad van Pelt
Skip Navigation Links usicologie - et orgel in Parijs, van de twaalfde eeuw tot 1437

Het orgel in Parijs, van de twaalfde eeuw tot 1437

a. Het Portatief
Uit allerlei bronnen (zowel iconografische als literaire) kunnen we opmaken, dat het portatief vanaf de 12e eeuw bij het musiceren veelvuldig werd gebruikt. We kunnen derhalve gevoeglijk stellen, dat in deze eeuw een ware bloeiperiode van het onderhavige instrument aanving, welke tot in de 16e eeuw zou voortduren.
Eén van de vroegste voorstellingen van een portatief (te vinden in het manuscript 17333, British Museum, Londen), uit het begin van de 12e eeuw, verdient in dit verband onze aandacht. We zien er op een windlade, welke door middel van een met één hand te bedienen balg van winddruk kan worden voorzien, een reeks pijpen afgebeeld, van verschillende lengte. Nu is het wellicht niet toevallig, dat het aldaar afgebeelde portatief een niet onbelangrijk verschil vertoont met het merendeel van de talloze afbeeldingen welke in de eeuwen daarna zouden ontstaan: de hoogste pijpen van het instrument zijn namelijk niet opgesteld aan de rechterkant van de klaviatuur, maar aan de linkerkant. Het is uiteraard zeer wel mogelijk, dat beeldcompositorische redenen er de oorzaak van zijn, dat dit portatief op deze merkwaardige wijze is afgebeeld. Daarentegen is het zeer wel mogelijk, om te veronderstellen dat we hier te doen hebben met een afbeeldingen, die een zeker gebrek aan vertrouwdheid met het portatief verraadt: voor de vervaardiger van het handschrift was het instrument dat hij tekende kennelijk iets nieuws, iets onbekends. In de chansons van de trouvères lezen we voor de eerste maal over het gebruik van een orgel, in liturgisch verband, bij de Normandische trouvère Wace: in diens "Roman de Brut" uit 1155. In 1167, in een chanson van Chrétien de Troyes wederom:
     Qu'aussi por oir les ogres / vont au mostier à feste annuel / à Pentecoste ou à Noel / les janz acostumeenet.
Het was van belang, dat een portatief klein genoeg was, om door één man, zonder al te veel moeite, op de armen te worden gedragen, zodat de toepassingen ervan meerledig konden zijn: het portatief kon worden gebruikt om de toon aan te geven bij diverse onderwijssistuaties, bij processies, bij mysterie- of mirakelspelen, bij chansons, bij dans, bij de schola, ter verstrooiing, etc.
De bespeler van het portatief bediende doorgaans de balg met zijn linkerhand, terwijl de rechterhand dan vrij bleef voor verfijnde verrichtingen op het toetsenbord. Meestal zien we op de afbeeldingen, dat het instrument (door een engel of een monnik) staande wordt bespeeld, terwijl we ook meermalen zien dat de bespeler zijn instrument laat rusten op de knie. Bij nog grotere instrumenten zien we dat de bespeler zittend is afgebeeld.
Naast illuminaties in de oude manuscripten betekenen ook glas-in-loodramen (onder meer te Laon) en sculpturen aan de Franse kathedralen voor ons vrij veel als bron van informatie. In de 13e eeuw nam het aantal afbeeldingen van portatieven sterk toe. Daaruit kunnen we afleiden dat in deze periode portatieven allengs meer in zwang komen. Ook zien we langzamerhand de omvang van de afgebeelde instrumenten toenemen. In de 13e eeuw zijn 2 rijen van 7 à 8 pijpen, die meestal cilindrisch zijn, doch een enkele keer conisch, gebruikelijk. Het is opvallend dat we regelmatig, naast een reeks in lengte rechtevenredig toenemende pijpen, ook één of twee veel grotere baspijpen zien afgebeeld. De functie van deze baspijpen is nog niet helemaal duidelijk. Het is mogelijk dat deze lage pijpen als bourdon-pijpen bij de bespeling van het portatief voortdurend klonken, zoals bij de doedelzak. Een sculptuur aan het koor van de Notre-Dame van Parijs, uit omstreeks 1320, toont ons de Heilig Maagd Maria en Christus in het bijzijn van een engel, die een portatief bespeelt. De engel laat het portatief rusten op één van zijn knieën.

b. Grote orgels in Frankrijk
De eerste grote orgels in Frankrijk verschijnen wellicht reeds in de 11e eeuw, in de kloosters. Niet lang daarna kwam ook het gebruik van orgels in grotere kerken, ook elders in Europa, in zwang, zoals te Canterbury (1114) en te Utrecht (Nicolaïkerk, 1120). In Frankrijk blijft het orgel in de kerken een grote zeldzaamheid tot in de 14e eeuw. Pas dan verschijnt het instrumenten incidenteel in de kathedralen van de rijkste en dichtst bevolkte delen van het land, zoals te Lille (1306), St. Quentin (1329), Laon (1339), Chartres (1350), Amiens (1354), Troyes (1366), Chalons (1372), en andere. De kathedralen van Reims en Meaux hadden wellicht reeds in de 13e eeuw een orgel.
Deze feiten kunnen we afleiden uit de schaarse gegevens die we tot onze beschikking hebben, zoals bijvoorbeeld de kerkrekeningen van St. Quentin. Daar lezen we dat er in het jaar 1329 een reparatie diende te worden uitgevoerd aan het orgel, aangezien het in slechte staat verkeerde. Zelfs de naam van de orgelbouwer wordt er genoemd: Bauduin Corbisson. Dit is hiermee één van de oudst bekende orgelbouwers van Frankrijk. We kunnen hieruit niet alleen opmaken, dat er in 1329 een orgel aanwezig was te St. Quentin, maar ook dat het waarschijnlijk al meerdere jaren daarvoor was gebouwd.
In de kerkelijke archieven van de kathedraal te Meaux is een brief aanwezig van een bisschop (december 1221), die in een verbod uitvaardigde op het gebruik van het orgel tijdens de misviering. Overigens eist bisschop Albéric reeds in 1035 dat het orgel te Reims voortaan zal zwijgen. Deze beide bisschoppen doelen hier op orgelspel, maar of ze grote of kleine orgels (portatieven) daadwerkelijk willen uitbannen is niet te zeggen. Ook uit salarisbetalingen (bijvoorbeeld van bisschop Phillippe de Vitry van Meaux) aan een organist kunnen we de aanwezigheid van een orgel vaststellen. Bovendien kunnen we daaruit zelfs de namen van meerdere organisten achterhalen. Zo was bijvoorbeeld in 1303 de trouvère Jehan l'Orgueneur organist van de Notre-Dame te Reims. Diens vader Baudoin l'Orgueneur heeft wellicht ook iets gedaan in hetzelfde vak, want hij is bekend als stadsmusicus te Reims in het jaar 1304. Dat er ten tijde van Guillame de Machaut (ca.1300-1377) een orgel te Reims aanwezig was staat, staat welhaast vast, hoewel concrete gegevens onvindbaar zijn tot 1443, lang na het overlijden van De Machaut.
We hebben een vroeg 13e-eeuws traktaat, het "Livre des Propriétés et des choses", waarin het orgel wordt beschreven als het instrument dat bij uitstek geschikt is voor gebruik tijdens de erediensten van de heilige kerk. Een eeuw ervoor reeds stelde Honorius van Autun, dat het orgel (maar ook andere muziekinstrumenten) bij de godsdienstoefening zou moeten worden gebruikt, ter begeleiding, of in afwisseling met de zang.

c. Notre-Dame de Paris
In de documenten van de Notre-Dame vinden we voor het eerst in 1198 een opmerking over een orgel. Deze opmerking is geschreven door de Parijse bisschop Eudes, die sinds 1197 dit ambt bekleedde. Dit instrument zal waarschijnlijk geen groot orgel zijn geweest: waarschijnlijk een portatief, eventueel een klein positief. Meerdere auteurs rond 1900 hebben deze opmerking aangegrepen om te komen tot allerlei hypothesen, die absoluut niet op concrete feiten berusten. De beroemde Leoninus werd door hen bestempeld als de eerste organist van de Notre-Dame. Het is zeer goed mogelijk, dat Leoninus orgels heeft gekend of heeft bespeeld, wellicht zelfs ook in de Notre-Dame, maar dat hij er organist is geweest, is zeer onzeker.
Andere auteurs kwamen tot de conclusie, dat de tripla en de quadrupla van Perotinus zullen hebben geklonken op een orgel met meer dan één klavier, of wellicht op twee of drie portatieven. Het is mogelijk dat bijvoorbeeld de tenor op een dergelijk instrument ten gehore werd gebracht. Men meende dat Leoninus als "optimus organista" zijn organa op het orgel speelde of begeleidde; men werd daarin gestaafd doordat er in één van de motetten van Perotinus, "Beata viscerna", gesproken wordt over "plains d'orgueil", wat men vertaalde met "vol orgelspel". Zelfs tachtig jaar later, in 1279, is de aanwezigheid van een orgel in de Notre-Dame nog verre van zeker. Wel wordt er dan in de archieven een zekere "Magister Henricus organica" genoemd, maar wellicht was deze, evenals Leoninus, toch ook geen orgelspeler.
We kunnen gevoeglijk aannemen, dat er in het begin van de 14e eeuw voor het eerst een groot orgel werd geïnstalleerd in de Notre-Dame. Dat er organisten in dienst geweest zullen zijn, is dan een vanzelfsprekendheid. Het is bekend dat men in 1357 en 1365 een aantal kinderen van het koor van de kathedraal te Chartres naar Parijs zond, naar de organist van de Notre-Dame, om zich verder te bekwamen in het orgelspel. De organist van de Notre-Dame was derhalve toen reeds dermate gerenommeerd, dat men verre reizen ondernam om hem te ontmoeten. Het blijkt uit meerdere bronnen, dat er in de gehele 14e eeuw regelmatig orgelspel heeft geklonken in de Notre-Dame. Dat blijkt onder meer uit het "liber organisatoris", dat tot 1416 dienst deed, waarin de precieze plichten van de organisten zouden zijn omschreven. Het is bekend dat allerlei publieke evenementen in de Notre-Dame werden opgeluisterd door orgelspel. Bij een overwinning hield men bijvoorbeeld een dankbijeenkomst, waarbij dan een Te Deum werd gezongen, zoals bij het sluiten van het verdrag van Brétigny (10 oktober 1360). Ook intochten van hoge figuren, koninklijke huwelijken en dergelijke werden in de Notre-Dame, zoals de dankdiensten voor het herstel van koning Charles VI (wat echter steeds van korte duur was).
De nevelen klaren vanaf 1392 op, omdat vanaf dat jaar de registers van de Notre-Dame nog aanwezig zijn. Daarin lezen we voor het eerst concrete gegevens betreffende het orgel. In 1392 werd Renaud de Reims tot organist van de Notre-Dame benoemd. Hij moest bovendien toezicht houden op de toestand van het orgel. Kennelijk was die toestand bedroevend, want reeds in 1393 liet Renaud een aantal deskundigen komen, om vast te stellen dat er grondige herstelwerkzaamheden aan het orgel hard nodig zijn. Hier lezen we derhalve eveneens, dat we te doen hebben met een orgel, dat aan reparatie toe is: wellicht is het reeds in het midden van de 14e eeuw gebouwd. Op 26 juni 1394 krijgt Renaud de Reims van de schatbewaarder van koning Charles VI een bedrag van 200 francs uitgekeerd "pro organis reparandis".  Deze oplossing was echter niet voor lange tijd afdoende, de reparatie aan het orgel was wellicht slechts "provisorisch, want men ging zich reeds kort daarna beraden over de bouw van een compleet nieuw orgel. In 1401 heeft de Hertog van Bedford, Jean de Berry, groen licht voor de bouw van een nieuw orgel in de Notre-Dame, door een grote som gelds beschikbaar te stellen. Men vraagt aan de orgelbouwer Frédéric Schambantz (Fredericus Schaubantzis, Schaubankes), uit het Duits-talige deel van het rijk van de Hertog van Bedford, deze werkzaamheden uit te voeren en men biedt hem kost en inwoning aan gedurende de gehele bouwperiode, met zijn drie medewerkers.
Terwijl het vorige orgel was opgesteld in de buurt van het liturgisch centrum, bouwde men vanaf juni 1401 op een geheel nieuwe plaats een oxaal voor het nieuw te bouwen instrument: aan de westgevel, onder het roosvenster (de plaats waar zich ook thans het hoofdorgel van de Notre-Dame bevindt). Het oude orgel breekt men nog niet af, zodat het tijdens de bouwperiode van het nieuwe orgel nog dienst kan doen. Zelfs na de ingebruikname van het nieuwe orgel blijft het oude instrument in de Notre-Dame aanwezig. In 1425 echter wordt men tijdens de Engelse bezetting van Parijs gedwongen om tot afbraak van het oude orgel over te gaan en moet men het oude orgelmetaal verkopen om de misdienaren te kunnen blijven voorzien van voedsel en om het klokkenspel te kunnen repareren. Uit het feit, dat het oude orgelmetaal nog een bedrag van 800 livres opbracht, kunnen we afleiden dat het instrument waarschijnlijk een 4- tot 6-voets blokwerk geweest zal zijn, met circa 200 pijpen, wellicht 6-sterk (zes pijpen per toets).
De bouw van het nieuwe orgel, door Frédéric Schambantz, zou duren tot 1406. De ingebruikname vond plaats op 25 oktober van dat jaar. Uit deze beginperiode is er helaas geen gedetailleerde beschrijving van het instrument bekend, maar dankzij het feit dat het orgel tot circa 1730 vrijwel ongewijzigd bleef functioneren, kunnen we ons een vrij redelijk beeld van dit instrument vormen. Bovendien bezitten we een 17e-eeuwse afbeelding van Israël Silvestre van het interieur van de Notre-Dame, waarop we op de achtergrond iets kunnen waarnemen van dit instrument: we zien er drie torens met orgelpijpen, met vlakke pijpenvelden ertussen, gesneden houtwerk. De middentoren is iets hoger dan de beide zijtorens. Deze uit 1401 daterende orgelkas vertoont meerdere overeenkomsten met die van de Notre-Dame te Reims uit 1386, waarvan we een 16e-eeuwse afbeelding bezitten, die veel gedetailleerder is (zie afbeelding).
Het Schambantz-orgel was een blokwerkorgel op 18-voets basis. Van de baskant tot aan de discant was het oplopend van 8 tot 15 à 18-sterk (dus 8 tot 15 à 18 pijpen per toets), met in totaal zo'n 600 orgelpijpen. Dat is nog vrij bescheiden, vergeleken met het aantal pijpen van het blokwerkorgel te Amiens uit 1422/1492, dat circa 2500 orgelpijpen bevatte en 21 tot 45-sterk was. Omdat de langste pijp van het orgel in de Notre-Dame een lengte bezat van circa 18 voet kunnen we vaststellen, dat de toon B-contra (of wellicht A-contra) de laagste toon van het klavier geweest zal zijn. Volgens meerdere auteurs (onder meer Hans Klotz) bezat de klaviatuur van het orgel 46 toetsen. Dat is voor die periode uitzonderlijk veel. Omstreeks 1440 was een klaveriomvang van 31 à 34 toetsen al ruim. In dit opzicht liep Frankrijk zelfs voorop, in vergelijking met andere landen in Europa, waar men deze aantallen dikwijls niet haalde.
Wellicht is de situatie in de Notre-Dame geweest zoals in het genoemde orgel te Amiens uit 1422/1429, dat een 33-tonig manuaal bezat en een 13-tonig pedaal (samen zijn dat 46 toetsen). Op dit orgel te Amiens (wellicht was Schambantz daarvan ook de bouwer?) was het mogelijk enige registratiewisselingen aan te brengen tijdens het orgelspel: van de sterke Fourniture (21 tot 45-sterk) kon men een zachte Prestant II en een Octaaf II afzonderen. Het orgel dat Godefroy de Furnes in 1386 ombouwde te Rouen bevatte een apart tongwerken-klavier (het pedaal?) op 16-voets basis. Dit was het "Clavier de teneurs". Daarnaast bezat het orgel een discant-klavier, het "Clavier de descant", en een "Positif de dos" (Rugwerk) op 4-voets basis. Ook het Schambantz-orgel in de Notre-Dame van Parijs bezat een aangehangen pedaal. Nog geen zelfstandig pedaal, zoals bijvoorbeeld het orgel te Troyes in 1432 zou krijgen, waar men bovendien door middel van een pedaalkoppel naast de eigen pedaalregisters het hoofdwerk aan kon koppelen. Het is bekend, dat men in 1406 grote gordijnen om het nieuwe orgel aanbracht, om het te beschermen tegen stof, vogels en dergelijke. In 1414 bracht Niccolo d'Este een bezoek aan de Notre-Dame en hij beschrijft in het kort dat hij aldaar "dui organi grandissimi" heeft gezien: zowel het oude, als het nieuwe orgel. Het schijnt dat het orgel een aantal merkwaardige snufjes bezat, waarvoor de 14e- en 15e-eeuwse mens kennelijk zeer gevoelig was, zoals een zon die kon draaien en een engel die een trompet aan zijn mond zet, etcetera. Men hield kennelijk van dergelijke machinerieën.
In 1415 lezen we in de archieven dat de orgelbouwer Chaubancel naar Parijs komt, om het orgel te repareren. Wellicht is dit dezelfde Frédéric Schambantz/Schaubankes, nu met een verfranste naam: op 19 mei 1415 vraagt men hem om de "deux paires d'orgues (dus het oude en het nieuwe) te herstellen. Renaud de Reims was overleden op 4 april 1415. Op 29 mei van dat jaar wordt de medicus "Magister Henricus de Saxonia" als opvolger benoemd. Hij was afkomstig uit Salzwedel. Ook hij krijgt de opdracht om het orgel te onderhouden. Daarvoor krijgt hij een bedrag van 15 sols per jaar betaald. Wanneer de reparatiekosten eventueel boven deze 15 sols zouden uitkomen, dan zouden deze extra kosten zonder problemen aan hem worden vergoed. Zo lezen we bijvoorbeeld in de rekeningen, dat hij op 19 maart 1416 een bedrag van 40 sols ontving, voor gedane verrichtingen in het orgel. Het bedrag dat hij jaarlijks ontving voor deze onderhoudswerkzaamheden werd spoedig verhoogd tot 40 sols per jaar, kennelijk omdat dat nodig was. Bij zijn benoeming ontving deze Henricus de Saxonia, ofwel Henry de Saxe, een tractement van 26 Parijse liveri per jaar.
In 1416 wordt het "liber organisatoris" vervangen door een nieuw geschrift, waarin wordt vastgelegd dat de organist van de Notre-Dame diende te spelen op de "23 Heilige Feesten", te weten: Kerstmis, Epifaniën, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren, Corpus Christi, de vier Mariafeesten, Johannes de Doper, Petrus, Lucas, Michael, Nicolaas en de acht Apostelfeesten. Hij moest dan spelen: het "Kyrie, Gloria, Sequentia, Sanctus, Agnus". We zien dat tijdens de 100-jarige oorlog de behoefte aan gebed aanzienlijk groeit: er zijn wekelijks processies naar de Notre-Dame, waar orgelspel dan ook regelmatig klonk. Op 1 december 1420 moet er een ontvangst worden gehouden voor de Engelse koning, waarbij ook met orgelspel in de Notre-Dame een Te Deum werd gezongen. Op 8 september 1424 is er wederom zo'n binnenkomst. De Hertog van Bedford bezoekt Parijs en uiteraard de Notre-Dame (onder orgelspel). Bij meerdere processies (in 1426 om de regen op te laten houden in verband met de dreigende mislukking van de oogst, en in 1427 omdat de Seine overstroomt) trekt men massaal naar de Notre-Dame om te bidden en om te zingen. De vreugde is zeer groot, wanneer in 1437 de "Réduction de Paris" een feit is. Deze bevrijding wordt vanaf dat jaar gedurende een eeuw lang jaarlijks op de vrijdag na Pasen gevierd, waarbij men steeds een feestelijk Te Deum zong in de Notre-Dame en waarbij orgelspel in geen geval mocht ontbreken. Het feit dat koning Charles VII in 1437 terug kon keren in Parijs vierde men op een uitbundige wijze. En terecht!

d. Orgels elders in Parijs
Uit een opmerking uit 1299 in de documenten van de Sainte Chapelle blijkt, dat er reeds in dat jaar een organist een salaris ontving voor zijn spel. De aanwezigheid van een orgel in de Sainte Chapelle is hierdoor zeer waarschijnlijk te achten. In 1315 en 1318 wordt zelfs de naam van een organist genoemd: Petro de Reims. Volgens meerdere auteurs is hij wellicht een voorvader van de latere organist van de Notre-Dame, Renaud de Reims, maar er is verder niets wat wijst op enige bloedverwantschap. Het is ook mogelijk dat ze eenvoudigweg allebei afkomstig waren uit Reims. Deze "Magistro Petro de Reims, organiste" ontving in 1315 "pro organis dicte cappele in festibus annualibus ducendis, per annum 4 l.", dat wil zeggen: een bedrag van 4 livres. Ook in 1318 ontving Petro dit bedrag van 4 livres.
In de 13e-eeuwse Saint-Sévérin werd in 1358 een orgel gebouwd door Regnault de Douy: "unes bonnes orgues et belles et bien ordonées" dat een klank bezat alsof men "cuy doit ouïr les anges du paradis" (alsof men de engelen uit het paradijs kon horen). In de Saint-Gervais plaatste men in 1398 een klein 3-voets positiefje, dat dienst deed tot 1494, toen men een groter instrument overnam uit het klooster Sainte-Catherine du Val des Escoliers.
In de Saint-Germain-l'Auxerrois, de parochiekerk van het Louvre, bevond zich ook reeds ver voor 1400 een orgel. Dat weten we, omdat er in 1402 aan de orgelbouw Antoine de Gley de opdracht wordt gegeven om dit oude instrument te restaureren. Het bestek, waarin beschreven stat welke verrichtingen de orgelbouwer diende uit te voeren, is bewaard gebleven. Het is het oudste bestek wat we over hebben aangaande de Parijse orgelgeschiedenis: 
"Premier ledit Anthoie doit faire tuyaux tous neufs de la grandeur des vielz, item doit faire souflés tous neufs exceptée que il y mettra les aesseles des viez, item doit couvrir le sommier tout de neuf et mettre palettes neufves et repandre les clavier tout de neuf, item ledit doit accorder bien et souffisamment et les rendre en estat bon et soufisant aux dict de maistres a ce cognoissans". En dit alles voor de prijs van slechts 10 livres en 16 sols. Wellicht voordat deze ingrijpende restauratie of ombouw voltooid is, benoemde men op 10 oktober 1402 de priester Guillaume de Bourgogne/Guillaume Burgmeier als organist in dienst van de Saint-Germain-l'Auxerrois, voor een salaris van 32 sous per jaar. Zijn opvolgers, die na juni 1406 in functie waren, kregen 38 sous per jaar. Ook de Saint-Jacques-de-la-Boucherie bezat voor Franse begrippen reeds zeer vroeg een orgel: in 1427 was er een organist in dienst voor 8 livres per jaar.

Conclusie:
Het middeleeuwse Parijs stelde behagen in orgelspel en bleef beslist niet achter in vergelijking tot andere Franse steden. Daarentegen nam het geen leidende positie in, in de ontwikkeling van de vroege orgelkunst. 
 
Geraadpleegde literatuur:
M. Brenet, Les Musiciens de la Sainte-Chapelle du Palais, Paris, 1910
A. Cellier/H. Bachelin, L'orgue: ses éléments, son histoire, son esthétique, Paris, 1933
N. Dufourcq, Esquisse d'une histoire de l'orgue en France du XIIIe au XVIIIe siècle, Paris, 1935
B. Gerard/R. Machard, Le Grand-Orgue et les organistes du Notre-Dame de Paris, Béziers, 1980
P. Hardouin, Le Grand-Orgue de Saint Gervais à Paris, Paris, 1955
P. Hardouin, Les orgues de Saint-Germain-l'Auxerrois à Paris, in: Recherces sur la Musique Française, 1966
P. Hardouin, Le Grand-Orgue de Notre-Dame de Paris, Kassel, 1973
H. Hickmann, Das Portativ, Kassel, 1936
H. Klotz, Über die Orgelkunst der Gotik, der Renaissance und des Barok, Kassel, 1975-2
J. Perrot / translation N. Deane, The organ from its invention in het Hellenistic Period to the end of the Thirteenth century, Londen, 1971
A. Raugel, Les Grandes-orgues et les organistens de la Basilique de Saint-Quentin, Paris, 1925
F. Raugel, The ancient French Organ School, in: Musical Quarterly, 1925
F. Raugel, Les Grandes-Orgues des Eglises de Paris et du Département de la Seine, Paris, 1927
R. Quoika, Vom Blockwerk zur Registerorgel, Kassel, 1966
Y. Rokseth, La Musique d'Orgue au XVe siècle et au début du XVIe siècle, Paris, 1930