Het hoofdorgel van de Petruskerk te Woerden
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
 |
![]() |
![]() |
![]() |
| Gebouwd door J.H.H. Bätz (1768) |
| Dispositie van het Johann Heinrich Hartmann Bätz-orgel in de Petruskerk (1768) |
|
Hoofdwerk C-d3:
Prestant 16' [Discant dubbel]
Baardpijp 8'
Quintadeen 8'
Roerfluyt 8'
Octaaf 4'
Fluyt 4'
Quint 3' [Discant dubbel]
Octaaf 2' [Discant dubbel]
Nagthoorn 2'
Mixtuur 4-6-8 sterk
Trompet 8'
Vox humana 8'
Trambland
tot Vox humana 8'
|
Rugwerk C-d3:
Prestant 8' [Discant dubbel]
Holpijp 8'
Octaaf 4'
Fluyt 4'
Nasaat 3'
Superoctaaf 2'
Flageolet 1 ½'
Mixtuur 3-4-5-6 sterk
Cornet 4 sterk discant
Trompet 8'
Trambland
tot Ruxpositief
|
Pedaal C-d':
Bordon 16'
Prestant 8'
Octaaf 4'
Fagot 16'
Trompet 8'
Copling HW-RW (bas/discant)
Copling RW-HW
De bovenstaande koppels kunnen tijdens het spelen niet worden getrokken, ook kunnen ze niet worden weggeduwd
Copling Ped-HW
Winduytlating
Drie Afsluytingen
Toonhoogte : a = 432 Hertz
(bij 18 graden Celsius)
|
Verdeling van de registers aan de linkerzijde van de speeltafel:
| |
|
|
|
|
6.
Koppeling
RW-HW |
Afsluyting
Hoofdwerk |
1.
Mixtuur
Hoofdwerk |
2.
Octaaf 2'
Hoofdwerk |
3.
Fluyt 4'
Hoofdwerk |
4.
Quintadeen 8'
Hoofdwerk |
5.
Baardpijp 8'
Hoofdwerk |
Afsluyting
Pedaal |
7.
Trambland
Rugwerk |
8.
Fagot 16'
Pedaal |
9.
Bordon 16'
Pedaal |
10.
Voxhumana 8'
Hoofdwerk |
11. Koppeling
HW-RW
Links (Baskant) |
Afsluyting
Rugwerk |
12.
Mixtuur
Rugwerk |
13.
Fluyt 4'
Rugwerk |
14.
Nasaat 3'
Rugwerk |
15.
Holpijp 8'
Rugwerk |
16.
Prestant 8'
Rugwerk
|
Verdeling van de registers aan de rechterzijde van de speeltafel:
17.
Prestant 16'
Hoofdwerk |
18.
Roerfluyt 8'
Hoofdwerk |
19.
Octaaf 4'
Hoofdwerk |
20.
Quint 3'
Hoofdwerk |
21.
Nagthoorn 2'
Hoofdwerk |
22. Trambland
tot Voxhumana
Hoofdwerk |
23. Koppeling
HW-RW
Rechts (Discant) |
24.
Trompet 8'
Hoofdwerk |
25.
Prestant 8'
Pedaal |
26.
Octaaf 4'
Pedaal |
27.
Trompet 8'
Pedaal |
[geen nummer]
Winduytlating
|
28.
Cornet
Rugwerk |
29.
Octaaf 4'
Rugwerk |
30.
Superoctaaf 2'
Rugwerk |
31.
Flageolet 1½'
Rugwerk |
32.
Trompet 8'
Rugwerk |
33.
Koppeling
Ped-HW |
In het bovenstaande schema staan de registers van het
Hoofdwerk in rood
Pedaal in bruin
Rugwerk in groen
Het orgel heeft 27 stemmen (waaronder 5 tongwerken).
Omdat veel registers in de discant dubbel zijn en de mixtuur zelfs oploopt tot 8 sterk
is het instrument te vergelijken met een orgel van 30 à 32 stemmen.
In totaal zijn er 1842 orgelpijpen (waaronder 207 tongpijpen = 11%).
Ter vergelijking
Het orgel in de Oude Kerk in Huizen heeft 26 stemmen (waar onder 6 tongwerken)
In totaal zijn er 1604 orgelpijpen (waaronder 258 tongpijpen = 16%).
Wanneer we aan dat orgel 4 manuaalregisters en 1 pedaalstem zouden toevoegen
zouden er ook circa 1858 orgelpijpen aanwezig zijn.
Orgels en organisten van de Grote- of Petruskerk te Woerden
vanaf circa 1460
De Petruskerk bezat waarschijnlijk reeds in de 15e eeuw een orgel.
Henric Gysbertszoon was mogelijk vanaf circa 1460 organist van de Petruskerk. We weten namelijk dat Henric in 1458 of 1459 een bezoek bracht aan de orgelbouwer Peter Gerritszoon te Utrecht. Dit blijkt uit de stadsrekeningen. Bovendien bracht Henric een bezoek aan een orgelbouwer in Noordwijk, waarschijnlijk om te bepalen aan welke orgelbouwer een opdracht gegeven zou worden. Het is aannemelijk dat Henric de voorkeur gaf aan Peter Gerritszoon, want er zijn aanwijzingen dat door deze orgelbouwer uit Utrecht omstreeks 1460 een orgel werd gebouwd. Peter Gerritszoon heeft in 1479 ook het orgel van de Nicolaïkerk te Utrecht gebouwd. Het is zeer bijzonder dat de kas van dit Utrechtse orgel niet verloren is gegaan, maar nog steeds is te bewonderen in de koorkerk te Middelburg! Het Woerdense orgel zal veel overeenkomsten met dit instrument hebben vertoond. Omstreeks 1520 wordt er melding gemaakt van een anonieme organist, maar over het orgel of de orgels in deze periode hebben we geen gegevens. Vermoedelijk ontstond in deze jaren wel de wens om het Woerdense orgel uit te breiden en/of te moderniseren. Daartoe stuurde de magistraat van de stad in 1554-1555 een bode naar de vermaarde orgelbouwer Hendrick Niehoff (circa 1495-1560) te ’s-Hertogenbosch. Kennelijk met goed resultaat voor Niehoff, want kort daarna, omstreeks 1555, heeft deze orgelbouwer werkzaamheden in de Petruskerk verricht. Waarschijnlijk bouwde hij een vrijwel nieuw orgel, mogelijk met gebruikmaking van pijpwerk van Peter Gerritszoon. Naast dit Niehoff-orgel was er waarschijnlijk in het midden van de 16e eeuw nog een tweede orgel aanwezig, maar zeker is dat niet.
Vanaf circa 1542 waren de volgende personen in dienst als organist:
Pontyaen Adriaenszoon was organist van circa 1542 tot 1579. Hij werd ook Meester Pontiaan Adriaanszoon of kortweg Meester Pons genoemd. Hij werd gedurende lange tijd bijgestaan door zijn de orgeltrapper Gerrit de blaser. Overigens waren er twee "blasers" nodig en dan zou men kunnen denken aan de blaasbalgen van het grote en kleine orgel, maar ook dit is geen bewijs dat er twee orgels aanwezig waren. Pontyaen kreeg in 1558 de opdracht om het nieuwe Niehoff-orgel in de Sint Janskerk te Gouda te gaan beoordelen. In een postscriptum bij het contract, gedateerd 19 december 1558, vinden we een verklaring dat het orgel tot genoegen van meerdere keurders is opgeleverd. Onder hen lezen we ook de naam van Pontyaan Adriaenszoon.
Dirck Gerrits Verhey was organist van 1580 tot 1626. Hij bespeelde het Niehoff-orgel 46 jaar. Voor zijn werkzaamheden aan het onderhoud van de blaasbalgen ontving hij regelmatig bier. Hij moest er weleens op attenderen dat dit gebruikelijk was, blijkens een rekening uit 1603: "alsoo den organist ende blaser syden, dattet ordinaris was".
Gerrit Dircxzoon Verhey (Gerrit Dircksen Verhey) was organist van juni 1626 tot 1637. Hij werd aangesteld voor een traktement van 200 gulden per jaar. Hij mocht alleen vóór en na de dienst spelen, maar moest dat wel doen op "alle dagen dat er gepreekt werd". Hij kreeg op 3 juni 1626 een "order" van de vroedschap waarin stond dat hij niets mocht spelen wat tot oneer van de kerk kon strekken. Hij mocht dus in elk geval geen "lichtveerdige liedekens" spelen. Op 10 juni 1626 kreeg de pas benoemde Gerrit Dircxzoon bovendien de opdracht om Evert Willemszoon Bogaert (1607-1647), een weeskind uit het Weeshuis van Woerden, en bovendien nog een ander weeskind, dat "beneffens hem begeert musyck te leren", muziekles te geven. Hij mocht hier geen vergoeding voor vragen. We mogen aannemen dat het hier om orgellessen zal hebben gegaan. Evert Willemszoon werd later een bekend predikant. In 1632 ontving, blijkens "Reekeninge" uit dat jaar, "Gerrit Dircksen Verhey, voor organist aengenomen sijnde in de plaets van Dirck Gerritsen saliger, over sijn gagie verschenen Lichtmis 1632 de somma van 250 pond". Bovendien ontvingen Elbert Jansen ende Gijsbert Gijsbertsen, blasers, tesaem 50 pond". Overigens werd op 29 oktober 1632 aan de koster enige stuivers betaald voor het vangen van twee uilen: "Den 29en october aen de coster voor twee uylen betaelt 8 stuivers" !
Jaquus Maton was organist van 1637 tot 1639. Mogelijk moet zijn naam worden gelezen als Jacques Maton of als Jacob Maton. In dat geval is zijn opvolger, Lucas Jacobs, mogelijk zijn zoon. Hij bespeelde het orgel, evenals zijn voorgangers, uitsluitend vóór en na de dienst.
Lucas Jacobs was organist van 1639 tot 1651. Zijn naam wordt ook vermeld als Jacob Lucassen en ook als Jacob Lucaszoon van Vollenhoven. Evenals zijn voorgangers bespeelde ook hij het Niehoff-orgel uitsluitend vóór en na de dienst.
Gijsbert van Dam was organist van 1652 tot 1672. Geboren te Oudewater. Hij werd benoemd op 14 februari 1652. Van Dam bespeelde de beide orgels en verrichtte zelf ook het onderhoud. Hij moest "alle defecten ende gebreecken, die op beyde de orgelen zoude mogen bevonden worden ... repareeren, vernieuwen en te rechte brengen, oock alle stomme pijpen spreecken maecken en de registers ten volle effecte brengen". Hiervoor ontving hij "twee hondert gulden jaerlijkx". Aanvankelijk bespeelde hij de orgels alléén vóór en na de diensten. Op 21 december 1668 ontving hij (eindelijk) van de vroedschap het bericht dat "bij pluraliteyt van stemmen verstaen is dat den orgel sal speelen onder het singen, soo des Sondaeghs als in de week". In Amsterdam werd dit overigens pas omstreeks 1680 besloten, dus de Woerdense vroedschap was wat dat betreft doortastender dan die in vele andere plaatsen. Gijsbert van Dam was tot aan de kerkbrand organist te Woerden. Helaas heeft hij dus slechts drie jaar de zingende gemeente in Woerden op het Niehoff-orgel kunnen begeleiden. In 1672 brandde de Petruskerk nagenoeg geheel af. Daarbij ging vrijwel het gehele interieur verloren, inclusief de orgels. De kerk werd in 1675 weer in gebruik genomen, maar... zonder orgel!
~ ~ ~
Pas in 1766 kreeg de Utrechtse orgelbouwer Johann Heinrich Hartmann Bätz (1709-1770) de opdracht om een nieuw orgel te bouwen. Dit instrument werd op 5 mei 1768 in gebruik genomen.
Onder het Rugwerk van het J.H.H. Bätz-orgel is de volgende Latijnse tekst aangebracht: Duobus organis quibus ornatum antea hoc templum erat hostili igne combustis ao MDCLXXII novum organum construi decreverunt et locaverunt nibilissimi hujus urbis magistratus ao MDCCLVI cujus operis fabricatio sub amplissimorum consulum auspici coepta ao MDCCLXVII et consummata fuit MDCCLVIII (Nadat de twee orgels waarmee deze kerk eertijds versierd was in 1672 door vijandelijk vuur waren verbrand, heeft de Edele Magistraten van deze stad in 1766 besloten een nieuw orgel te bouwen en te plaatsen. De vervaardiging van het werk is onder toezicht van deskundigen in 1767 begonnen en voltooid in 1768).
Evert Rittel was organist vanaf 5 mei 1768 tot 1774. Vóórdat hij organist in Woerden werd, was hij vanaf 1748 organist van de Grote of Nicolaaskerk te IJsselstein. In die kerk bespeelde hij eveneens een (kleiner) Bätz-orgel, dat in 1750 werd opgeleverd. Het Bätz-orgel te IJsselstein ging helaas in 1911 door brand verloren. Evert Rittel werd reeds in 1767 aangesteld als organist te Woerden, omdat zijn vrouw leiding gaf aan een kostschool. Hij vestigde zich kort daarna (eveneens in 1767) in Woerden. Hij heeft de bouw van het nieuwe orgel dus op de voet kunnen volgen. Op 1 maart 1768 examineerde hij het nieuwe Bätz-orgel, samen met Johann Philipp Adelbrecht Fischer, organist van de Domkerk te Utrecht (die overigens ook organist in IJsselstein is geweest). Naast zijn werkzaamheden als organist verdiende Evert Rittel onder meer de kost als wijnhandelaar. Hij vroeg in 1774 om ontslag uit zijn functie "om menigvuldige bezigheden".
J.P.E. Mietenheim (overleden 1795) was organist van 1774 tot aan zijn overlijden in november 1795. Zijn naam werd ook vermeld als Müszenheim. Mogelijk was hij van Duitse afkomst.
Jan Gijsbert Schuak (11 oktober 1772-20 februari 1825) was organist van 1795 tot 1796. Hij wordt in 1795 genoemd als deurwaarder. Reeds op 20 november 1795 moest hij als notaris met de heren Van Oudheusden, Bredius en Meulman met de beruchte Franse kolonel Falba mee naar Utrecht, omdat die zich moesten verantwoorden ten overstaan van de Franse generaal Molitor. Vanaf circa 1805 maakte hij deel uit van de gemeenteraad. In de periode 1813 tot 1818 wordt hij genoemd als notaris. In 1815 als burgemeester van Zegveld. We weten voorts dat zijn weduwe in de jaren 1831 en 1832 aan het Oudeland woonde. Dit blijkt uit een overzicht betreffende de hondenbelasting van de jaren 1830 tot 1832 (ze had een zwarte poedel met witte borst, waarvoor ze in de genoemde jaren 1.00 gulden belasting afdroeg).
Jan Uurling (ca.1760-2 maart 1845) was organist van 1796 tot 1845. Hij was afkomstig uit Amsterdam. Deze blinde organist bespeelde het Bätz-orgel 49 jaar! Jan Uurling was niet altijd gemakkelijk. In de archieven lezen we regelmatig berichten dat hij voor zijn medemens soms ronduit lastig kon zijn. Eén citaat van de orgelbouwer Jonathan Bätz is illustratief voor zijn karakter: " ... Ik kan niet voorbij hier aan te merken, dat ik al het onaangename mij aangedaan, minder aan het Collegie van Heeren Kerkvoogden toeschrijf, dan wel, rondborstig gezegd, aan den zwartgalligen Heer Uurling, die mijne overleden braven Oom (Gideon Thomas Bätz, zoon van Johann Heinrich Hartmann Bätz) voor 36 jaaren reeds getraiterd heeft [1805] op gelijke wijze als thans mij, waarvan ik getuige ben geweest ... [1841]". Voorts: " ... Op deze Heer Uurling is met recht toe te passen hetgeen Prof. van Heurn zegt in zijne beschrijving over het orgelmaken, ’dat wanneer een organist het den Orgelmaker moeijelijk wil maken, de plagereijen geen einde hebben’ ... " Tot zover deze verzuchtingen van Jonathan Bätz over organist Jan Uurling in 1841. Hij werd "bij zijn klimmende jaaren" doof.
Jacob Kwast (1820-26 juni 1890) was organist van 1845 tot 1847. Geboren te Wognum (in West-Friesland). Aanvankelijk was hij organist in Purmerend (1838). In 1845 werd hij in Woerden benoemd, na een vergelijkend proefspel. Er waren vijf kandidaten, waarvan er uiteindelijk maar drie kwamen opdagen. Het proefspel van Jacob Kwast werd beoordeeld door Johann Hermann Kufferath, directeur van het Collegium Musicum te Utrecht. Het praktische examen bestond uit het spelen van psalm 49 en gezang 104 en het nader uitwerken van een door de heer Kufferath opgegeven fuga. De beoordeling luidde: "De psalm goed en gemakkelijk gespeeld, de tussenspelen beter, meer statig en in de kerkstijl; het gezang ook zeer goed en duidelijk gespeeld, misschien iets te zwierig; de fuge goed geaccentueerd en met meer variaties". In de instructie van de organist wordt een nieuwe bepaling opgenomen, dat hij voortaan het orgel op woensdag om de veertien dagen des voormiddags van elf tot twaalf uur voor het publiek dient te bespelen. Wegens koude (?) werden deze woensdagmorgenconcerten in de wintermaanden van 1845-1846 gestaakt. Op 3 april 1846 werd besloten deze concerten te verschuiven naar de eerste donderdagmiddag van de maand van half twee tot half drie. Een jaar later besluiten de kerkvoogden (helaas) dat de veertiendaagse orgelconcerten zullen worden afgeschaft en dat in plaats daarvan een orgelconcert op een nader te bepalen tijdstip zal plaats hebben. Vermoedelijk was een veertiendaags concert op een ongunstig tijdstip toch iets te veel voor de Woerdense bevolking. Woerden was immers nog een klein provinciestadje met 3500 inwoners. Bovendien was er massale armoede, waarbij bijna 30 procent van de bevolking bedeeld werd. Mogelijk heeft het uitblijven van succes bij deze concerten Jacob Kwast doen besluiten om reeds in 1847 Woerden weer te verlaten. In deze periode was Jacob Kwast tevens stedelijk muziekmeester. Hij ontving hiervoor 100 gulden per jaar "en zulks onder den titel van stedelijk muziekmeester met bepaling om zoo wanneer eenmaal ter dezer stede eene zangschool mogt worden opgerigt hij zal gehouden zijn daaraan kosteloos onderwijs te geven". Op 27 september 1846 verzorgde Jacob Kwast de inspeling van het nieuwe Bätz-orgel in de Ev.-Lutherse kerk, samen met "het Zanggezelschap dezer stad (12 sopranen, 6 alten, 8 tenoren en 9 bassen sterk)". Het programma luidde: 1. Inleiding Koor. 2. Thema met Variatiën, van A. Hesse. 3. Fuga van Rinck. 4. Thema's van Beethoven, gearrangeerd voor Orgel. 5. Koor uit de Schepping, van Haydn, 2e Deel. 6. Introductie en Fuga, van J.S. Bach. 7. Fluit-Concert, van Rinck. 8. Solo en Koor, van Felix Mendelssohn-Bartholdy. 9. Finale: a. Preludium van J.S. Bach, b. Vrije Slot Fantaisie. Reeds in augustus 1847 diende Jacob Kwast zijn ontslag in. Na zijn Woerdense jaren was hij organist te Purmerend (1847-1863), Gouda (1863-1872) en te Amsterdam (vanaf 1872). Hij was actief als koordirigent en componist van voornamelijk koormuziek. In Wognum leefde zijn naam nog lange tijd voort doordat er een koor naar hem was genoemd: de Gemengde Zangvereeniging "Jacob Kwast". Dit koor bestond in elk geval in 1910 nog. Jacob Kwast overleed te Amsterdam. Zijn zoon Jan Albert Kwast (1851-1918) was onder meer dirigent van de Nederlandsche Opera te Amsterdam, later was hij dirigent in Arnhem. Een tweede zoon James (Jacob) Kwast (1852-1927) was onder meer pianodocent aan conservatoria in Frankfurt en Berlijn. Een derde zoon Barend Kwast (1854-1919) was organist van de Waalse Kerk te Amsterdam, daarna directeur van de muziekschool in Leeuwarden. Later vertrok hij naar Engeland, alwaar hij in Liverpool overleed.
W. van Nieuwkerk (ca.1820-1883) was organist van 1847 tot 1883. Evenals zijn voorganger werd hij benoemd na een vergelijkend proefspel. In de heruitgave uit 1936 van het boek Album van Woerden en omstreken (oorspronkelijk uitgegeven in 1873), staat hij vermeld als muziekmeester en stemmer. Hij zorgde bovendien voor het onderhoud van het orgel in de Bonaventurakerk en ontving daarvoor 20 gulden per jaar. We lezen in dit boek dat de inwoners van Woerden naar jaarinkomen in klassen waren ingedeeld: de laagste inkomens behoorden tot de 1e klasse, de hoogste tot de 16e klasse. Van Nieuwkerk behoorde tot de 2e klasse. Zijn belastbare jaarinkomen bedroeg tussen de 400 en 600 gulden. Hij bewoonde een pand op de Voorstraat (momenteel bevindt zich op deze plaats de RABO-bank).
Jacob Hendrikus Bastiaan Spaanderman sr. (27 januari 1864-13 september 1943) was organist van 1883 tot 1889. Hij studeerde aan het Toonkunst Conservatorium te Rotterdam bij Samuel de Lange, die destijds behoorde tot de beroemdste Nederlandse organisten. Hij werd, evenals zijn voorgangers, benoemd na een vergelijkend proefspel. De kandidaten werden beoordeeld door Richard Hol, organist van de Domkerk te Utrecht. Op 11 september 1885 bespeelde hij het orgel van de Ev.-Lutherse kerk tijdens de "Openbare Gedachtenisviering van den 400sten Geboortedag van Dr. M. Luther". Op het programma stond onder meer "Toccata et Fuga, van J.S. Bach" en "Allegro assai vivace, uit de 1e Sonate van F. Mendelssohn-Bartholdy". Als vergoeding ontving hij 15 gulden. In 1889 werd hij benoemd tot organist van de Sint Janskerk te Gouda, alwaar hij bovendien werkzaam werd als pedagoog aan de Goudse muziekschool en dirigent van onder meer de orkestvereniging Excelsior en de zangvereniging "Arnold Spoel". Vanaf 1910 was hij bovendien directeur van de Goudse muziekschool. Omstreeks 1930 trok hij zich uit het openbare muziekleven terug. Tot zijn overlijden woonde hij te 's-Gravenhage. Zijn zoon Jacob Hendrikus Bastiaan Spaanderman jr. (1896-1965), geboren te Gouda, was pianist. Hij gaf onder meer les aan het Amsterdams Conservatorium en heeft aldaar meerdere beroemde musici opgeleid, onder wie Theo Bruins, Reinbert de Leeuw, Hans Vonk en Edo de Waart.
Martinus Vermeulen (1859-1925) was organist van 1889 tot 1925. Hiervoor was hij vanaf 1879 organist van de Hervormde Kerk te Zegveld. Hij was werkzaam als orgelbouwer. Bracht in 1911 in het orgel van de Petruskerk een derde klavier aan. Daarbij maakte hij gebruik van een oude eiken windlade en gebruikte ook historisch pijperk. Dit manuaal werd in 1968 weer verwijderd. In de Ontmoetingskerk te Kamerik staat nog één van zijn orgels.
Pieter Vermeulen (1890-1974) was organist van 1926 tot 1936. Publiceerde bij Ph. Zalsman te Kampen: Compositieën voor Orgel of Harmonium (twee delen). Band I : Eere zij God / Fantasie over "Eere zij God / Fantasie et Fuga in D-mol / Postludium in C-dur / Chromatisch Andante in D-dur. Band II : Fantasie in D-dur / Feestspel in C-dur / Andante in G-dur / Postludium in C-dur. Was als orgelbouwer voornamelijk werkzaam in het onderhoud van kerkorgels, ook was hij handelaar in orgels en harmoniums. Later verkocht hij bovendien elektronische orgels.
Hij had een markant sikje, dat de laatste jaren helder wit van kleur was. Hierdoor werd hij door Woerdenaren ook wel "Sik-Vermeulen" genoemd. Door deze aanduiding wist iedereen meteen wie er bedoeld werd. De laatste jaren van zijn leven wandelde hij veel door de stad met een wandelstok. Zelf heb ik het genoegen gehad hem nog meerdere keren te ontmoeten, onder meer bij de aanschaf van een elektronisch orgel voor een familielid, in de grote winkel aan de Voorstraat. In deze winkel stonden naast een groot aantal elektronische orgels destijds ook enkele kleine pijporgels opgesteld.
Anne Marten ten Hoeve (1909-1996) was organist van 1936 tot 1979. Bespeelde het Bätz-orgel ruim 42 jaar. Reeds in 1945 was hij actief als dirigent van het Hervormd Kerkkoor. In het dagelijks leven was hij werkzaam als docent Engels aan de Chr. Scholengemeenschap "F. Kalsbeek" te Woerden. Zijn zoon Bert ten Hoeve was tot 2009 tweede organist van de Ev.-Lutherse Kerk te Woerden. Thans is hij één van de organisten van het Morgengebed op de woensdagochtenden in de Petruskerk.
Herman van Vliet (geb. 1941) was organist van 1979 tot 1990. Studeerde aan het Utrechts Conservatorium bij Cor Kee en Stoffel van Viegen. Volgde ook lessen bij Feike Asma. Van 1964 tot 2006 was hij organist van de Sint Michaëlskerk te Oudewater. Sinds 1990 is hij organist van de Sint Joriskerk te Amersfoort. Zijn orgelspel is op een groot aantal cd’s vastgelegd. Hij ontving voor zijn verdiensten voor de Franse orgelcultuur een bronzen, zilveren en gouden medaille van de Société Académique Arts, Sciences, Lettres te Parijs.
Ad van Pelt (geb. 1960) is organist van de Petruskerk sinds 1986. Vanaf 1997 organiseert hij in de Petruskerk een Bach- en Mozartfestival. In deze reeks concerten zijn tot nu toe ruim 250 concerten in de Petruskerk gegeven. Van 1998 tot 2009 was hij bovendien dirigent van het Hervormd Kerkkoor. Dit koor verleende regelmatig medewerking aan de diensten in deze kerk. Daarnaast is hij ook organist van de Maranathakerk te Woerden, de Oude Kerk te Huizen, de Hervormde Kerk te Nieuwkoop en de Hervormde Kerk te Zegveld. In 2007 ontving hij voor zijn verdiensten voor de Franse orgelcultuur de bronzen medaille van de Société Académique Arts, Sciences, Lettres te Parijs.
Henk Hilgeman (geb. 1962) was organist van 1986 tot 2006. Daarnaast was hij vanaf 1979 organist van de Maranathakerk en sinds 1984 van de Hervormde Kerk te Kamerik. Vanaf 1997 was hij bovendien dirigent van het Chr. Gemengd Koor Chaverim te Woerden. In 2006 beëindigde hij al deze activiteiten, waarna hij in 2007 werd benoemd tot organist van de Gereformeerde Kerk De Open Poort te Harmelen en de Hervormde Kerk in Nieuwegein-Noord.
Annelies van Zoelen-Kuus (geb. 1967) is organiste vanaf 1986. Sinds oktober 1984 is zij bovendien organiste van de Maranathakerk. Ze was vele jaren dirigente van het kinderkoor De Burning Candles te Woerden. In oktober 2009 mocht zij haar 25-jarig jubileum als organiste gedenken.
Hendrika Veerman (geb. 1962) was organiste van 1990 tot 1998. Ze studeerde hoofdvak orgel aan het Utrechts Conservatorium bij Kees van Houten. Momenteel is zij organiste van de Oude Kerk te Huizen en van de Hervormde Dorpskerk te Blaricum.
Kees Bruggeman (geb. 1960) is sinds 1990 organist. Hij is bovendien organist van de Maranathakerk te Woerden. Voorheen was hij onder meer organist te Hilversum (Grote Kerk) en te Ridderkerk (Goede Herderkerk).
Nico van der Kooij (geb. 1960) is sinds 1990 organist. Daarnaast is hij organist van de Maranathakerk te Woerden. Bovendien is hij organist van de Hervormde Gemeente te Hazerswoude.
Marnix van der Ploeg (geb. 1974) werd in 2009 benoemd tot organist, zodat het team van organisten van de Petruskerk en Maranathakerk weer op volle sterkte is. Daarnaast is hij onder meer organist van de Gereformeerde kerken te Linschoten en Waarder, bovendien van de Opstandingskerk en Kruiskerk te Woerden.